Met perspectief kun je diepte op een plat vlak suggereren. Essentieel daarvoor is verkleining: objecten verder weg teken je kleiner. In deze tekening zwaaien twee figuren naar elkaar. De figuur links is een stuk kleiner getekend zodat hij vanuit ons standpunt verder weg lijkt.

Oefening: draai deze situatie om; de figuur voor het huis teken je nu juist verder weg. Uiteraard kun je er andere figuren en een ander huis van maken.
In de volgende tekening is de dieptewerking veel sterker. We bevinden we ons vlak achter de persoon voor het huis en kijken over zijn schouder mee. Hij is zo dichtbij dat alleen zijn blij verraste gezicht in het kader past. De horizon in de verte zet beide figuren op de grond. Het slingerlijntje laat de verbinding tussen ver weg en dichtbij zien.

Oefening: draai ook deze situatie om; degene die thuiskomt (of vertrekt) is nu heel dichtbij. Pas de gezichtsuitdrukking aan aan wat je wil laten zien, want een afscheid zou natuurlijk niet vrolijk zijn.
Voor dit soort perspectieftekeningen wordt meestal een kader gebruikt (de rand om de tekening). Het kader is een denkbeeldig venster waardoor we naar buiten of juist ergens naar binnen kijken.